Niet te zweverig graag

Tijdens een gesprek over coaching hoorde ik laatst weer: “Het moet niet te zweverig zijn.”
Ik moest glimlachen. Niet omdat ik de zorg niet begrijp, maar omdat ik het zo’n interessante paradox vind.

Misschien ook omdat ik vroeger zelf behoorlijk allergisch was voor wat ik toen spiriwiri noemde. Eerlijk gezegd kan ik nog steeds kriebelig worden van contexten waarin iedereen voortdurend met een glimlach rondloopt. Groepen waar gezegd wordt dat alles er mag zijn en alles liefde is, maar waar je voelt dat het oneens zijn al problematisch wordt gevonden. Dan voel ik meteen weerstand. Want in mijn ervaring klopt dat simpelweg niet. Niet alles is oké of liefdevol. En niet alles vraagt om een glimlach.

Boosheid, jaloezie, frictie tussen mensen, onzekerheid en verdriet — alles wat we zo makkelijk ‘negatief’ noemen — bestaat en hoort er óók bij. Sterker nog: ik houd van groepen waarin mensen zich daar bewust van zijn. Contexten waarin we niet hoeven te doen alsof alles mooi en harmonieus is, maar waarin ruimte ontstaat voor wat er daadwerkelijk speelt en waar mensen realistisch én nieuwsgierig blijven.
Misschien is het juist daarom dat het label zweverig me zo fascineert.

Waarom lichaamsbewustzijn zo snel ‘zweverig’ klinkt

Ik coach leiders vanuit een danszaal en werk lichaamsbewust en systemisch. In sommige trajecten doen we een lichaamsgerichte oefening, in andere helemaal niet. Het doel van coaching is nooit het lichaam zelf. Het lichaam is wél een behulpzame bron van informatie. Alleen al het noemen daarvan roept bij sommige mensen meteen het label ‘zweverig’ op.

Wanneer mensen zeggen dat coaching niet zweverig mag zijn, bedoelen ze meestal dat ze iets praktisch en concreets willen. Iets toepasbaars, met beide benen op de grond. Zeker in een professionele context is dat heel begrijpelijk.
Toch stel ik dan graag een andere vraag: in hoeveel besturen en managementteams worden gesprekken daadwerkelijk met beide benen op de grond gevoerd?

Wat er écht gebeurt in vergaderingen

We zitten met elkaar aan tafel, spreken over strategie, besluiten en risico’s, en noemen dat rationeel en professioneel. Tegelijkertijd loopt de spanning op zonder dat iemand die benoemt. Mensen slikken zinnen in en zwakken bezwaren af. Besluiten worden genomen terwijl niet iedereen er werkelijk achter staat.
Na afloop hoor je in de wandelgangen wat er écht gedacht werd.
We praten veel over, maar blijven opvallend weinig aanwezig bij wat er op dat moment gebeurt.

Op het moment dat iemand je onderbreekt, je voorstel wordt genegeerd of de spanning in de ruimte stijgt, reageert je lichaam onmiddellijk. Je adem verandert. Je hartslag versnelt. Je zenuwstelsel activeert en je spieren spannen aan. Misschien voel je irritatie, onzekerheid of de neiging om je terug te trekken.

Meestal ben je daarin niet de enige. Zenuwstelsels beïnvloeden elkaar zonder woorden.
En precies dát vraagt om lichaamsbewustzijn.

De ruimte tussen prikkel en respons

Aanwezig zijn in je lichaam creëert ruimte. Je merkt wat er gebeurt voordat je automatisch reageert. Je voelt dat je je opwindt, terugtrekt of boos wordt. Met dat je dit gaat waarnemen, ontstaat er ruimte om jezelf en je zenuwstelsel te reguleren.
Vanuit die ruimte kun je bewust interveniëren en iets anders doen dan je automatische patroon volgen.

Je maakt je zin tóch af.
Je incasseert zonder dicht te klappen.
Je benoemt wat je merkt in de kwaliteit van het gesprek.
Of je komt later terug op wat er gebeurde.

Concreter dat het lichaam krijg je het niet

Aanwezig zijn in je lichaam maakt je niet zweverig. Het maakt je steviger. Gegronder. Beter in staat om te blijven staan wanneer het spannend wordt.
Je lichaam kan namelijk maar op één plek zijn: down-to-earth.
Altijd hier.
Altijd nu.

Daarmee is het een enorm behulpzaam platform om vanuit te opereren in de wereld.
Áls je er maar aanwezig bent.
En het goede nieuws is: dat kun je oefenen!